Westerborkpad ’t Harde-Wezep-Hattem

24 en 25 april 2021

De buitenlucht trekt en besluiten om de route van het Westerborkpad weer op te pakken met onze vrienden M. en B. We gaan niet overnachten in een hotel maar kamperen in onze camper en zij in een trekkershut. Zolang er nog niet in restaurants gegeten kan worden hebben we er niet veel zin in op onze hotelkamers te eten. We houden de etappes kort want lief is nog niet af van zijn klapvoet. Voordeel is dat we dus niet al te vroeg op hoeven ;-).

De eerste dag van dit weekend lopen we vooral door het bos waar de hoge bomen nog niet in blad zitten. De prunusbomen staan in volle bloei, zij hebben er in de ondergroei voordeel van dat de beuken en eiken hun bladerkroon nog niet gevuld hebben. De met tere witte bloesem getooide bomen staan her en der langs het pad alsof er iemand met witte wattenbollen door het bos heeft gestrooid. De lieflijkheid van de bloeiende bomen staat in schril contrast met voortdurend geraas van A50 op de achtergrond. Op de bodem strekken zich de eerste varens uit hun krul. Ik vind dat een fascinerend gezicht zo’n ontluikend varenblad, vol opgekropte plantenenergie. Als een springveer die op spanning staat en uit zijn beklemming wil schieten.

De route voert ons over bungalowpark ’t Loo, in verband met de meivakantie zijn veel huisjes bezet. Her en der lopen wel wat mensen rond en de mensen die een huisje met een terrasje in de luwte, in de zon hebben zitten dik gekleed buiten. De zon schijnt dan wel maar het is nog behoorlijk fris. We steken de A28 over via een viaduct. Op een paaltje langs de A50 zit een buizerd. Precies wanneer ik de camera in positie heb gebracht vliegt hij weg. Altijd hetzelfde met die vogels.. ze blijven nooit zitten 😉 In Wezep lopen we richting station waarna we met trein terug sporen naar ’t Harde.

We hebben besproken op camping Old Putten in Elburg. Het boeken voor ons vieren was nog wel een gedoe. We wilden eigenlijk op de camping in Hattem, maar daar verhuurden ze de trekkershut niet voor één nacht in het weekend. Wat ik raar vind, want volgens mij is dat het principe van een trekkershut. Bij Old Putten moest ik wel een paar keer uitleggen wat we wilden. M. en B. hebben geen groene kaart, die heb je nodig voor kamperen op een natuurcamping. Wij hebben er wel één, op de vraag of zij bij ons op de kaart mee konden liften was het antwoord bevestigend. Ook hier verhuurden ze eigenlijk niet voor één nacht in het weekend maar ze maakten een uitzondering voor wandelaars en fietsers. Ik had gezegd dat we het Westerborkpad aan het lopen waren. Eerlijkheidshalve vermeldde ik er bij dat we wel met de auto kwamen en dat we Elburg al voorbij waren op de route. Het kostte enige uitleg maar uiteindelijk was het geen probleem. Kwam M. er vervolgens achter dat ik van al dat gedoe van de weeromstuit voor vrijdag op zaterdag had geboekt in plaats van zaterdag op zondag. Dat kwam gelukkig allemaal goed, er was nog plek en de reservering kon omgezet. Een dikke pluim voor de mensen van Old Putten. We staan met de camper op het verste veldje waar ook de trekkershutten staan, wel zo gezellig. Bij eventueel nachtelijke sanitaire bezoeken is het dan best een stuk lopen maar dat nemen we voor lief. Na het eten maken M. en ik een avondwandeling rond het landgoed terwijl J. en B. de afwas doen. De avondzon zakt en werpt een prachtig licht over het landschap. Zo’n mooie gouden gloed. Als J. en ik ’s nachts inderdaad naar het toiletgebouw moeten scharrelt er een egeltje over het grasveld. Altijd leuk een ontmoeting met een egel.

Na het ontbijt breken we op om aan vervolgetappe naar Hattem te beginnen. Vanuit Wezep voert het pad on eerst over de Wezepsche heide. Die is nog grauw, er zit nog weinig kleur in de heide al lijkt er in de struikjes toch een zweem van het uitbundige paars van bloeiende heide te zitten. Het kan ook mijn verbeelding zijn of een speling van het licht. We steken de A50 oversteken, opnieuw door bos. Ik realiseer me dat dit leuke dorpjes zijn en er staan prachtige huizen langs de route. Je woont hier op de Veluwe maar van een stiltegebied is hier geen sprake zo ingeklemd tussen twee snelwegen. Hoe de wind ook staat, je zult altijd het verkeer horen. Jammer van zo’n prachtig stuk Nederland.

We lopen landgoed Molecaten op. Het is een oud landgoed waarbij je over een oprijlaan omzoomd door statige beuken richting het huis loopt. Het is een fraai ensemble van het neo-classistische hoofdgebouw, de stallen er achter, iets opzij een watermolen en wat andere bijgebouwen waar nu een restaurant in gehuisvest is. Wat weilanden met paarden er in, een beekje en een poeltje. Duidelijk een statige plek met historie en waar dagjesmensen graag een wandeling komen maken. Of zoals we zien als we verder lopen mensen voor een culinaire toertocht in hun luxe bolides een tussenstop hebben.

De tocht voert ons verder richting de IJssel. Net over de dijk is de Joodse begraafplaats. Het is onderdeel van de algemene begraafplaats waar een apart stuk in gebruik is voor de joden. Hier ligt onder andere de familie van Gelder. Zij doken in de Tweede Wereldoorlog onder, vader en moeder gescheiden van hun kinderen die op andere adressen uit de handen van de Duitsers moesten blijven. Moeder van Gelder kon het blijkbaar niet laten om ondanks diverse keren aandringen en verboden van het verzet haar kinderen te bezoeken waarmee ze haarzelf, haar kinderen en de mensen die hun veilig onderdak boden in ernstig gevaar bracht. Het verzet zag zich uiteindelijk genoodzaakt haar en haar man te doden, wat een tragische geschiedenis.

Eem ooievaarspaar zit op hun nest op een nestpaal in de uiterwaarden. De broedende vogels hebben geen weet van welk leed zich in dit stadje heeft afgespeeld. In de natuur is het overigens ook eten of gegeten worden… een iets andere benadering… maar in ieder geval voor jezelf zorgen en zorgen dat jij veilig bent. We lopen Hattem in, lopen langs de synagoge en dan richting de Dijkpoort. Daar eindigt onze etappe.

Schaep en Burgh

11 april 2021

Weersvoorspelling voor het westen oke, dus op pad. Op afstand met vrienden wandelen in de buitenlucht. Het idee is om afhankelijk van de conditie tussen 10 en 17 km te lopen. Schaep en Burgh is een terrein van Natuurmonumenten. Wandelingen daar lopen over verschillende buitenplaatsen. Je loopt dus ook langs wat fraaie landhuizen. Een stuk van de route die we willen lopen is versperd. Het terrein is afgezet om dat het geboorteseizoen is voor reeën en het pad loopt blijkbaar langs het rustgebied. We steken dus een stuk terug en pakken de route daar op. Achter een bosje ligt een weitje, zo’n typisch reeënweitje. Licht beschut met mogelijkheid om het bos in te vluchten. In de wei liggen een stuk of zes reeën rustig te grazen. Ze liggen onbekommerd terwijl de wandelaars op zo’n vijftig meter maximaal aan de andere kant van de bomen voorbij lopen. De reeën zijn duidelijk mensen gewend, ze maken totaal geen schichtige indruk. Mooi om ze zo dichtbij te zien.

Verderop op onze route zit een eekhoorn te rommelen onder struiken. Prachtig rode pluimstaart, rap heen en weer schietend. Als er een wandelaar met hond voorbij komt dan schiet hij weg een boom in. Even uit de gevarenzone. Ook de eekhoorn lijkt mensen gewend te zijn, deze laat zich in ieder geval makkelijker zien dan zijn soortgenoot in Vorden vorige week.

Het bos begint langzaam te ontluiken al zijn er ook plekken waar de herfst/winter nog de boventoon voert. Het is een mengeling van kale bomen met plekken waarop knoppen op barsten staan. Teer groen steekt af tegen bruin beukenblad. De natuur staat op ontwaken. Om ons heen veel vogelgezang, roodborstjes, pimpel- en koolmezen, roffels en lachen van spechten en de zang van boomklevers. Met al die oude bomen zijn de laatste twee zeker geen onverwachte gevederde gasten om te horen.

Vlak voordat we weer bij de parkeerplaats zijn zien we een wilde eend met jongen. De eerste pulletjes van het jaar. Het lijken er eerst vier te zijn, twee gele en twee donkere exemplaren. We staan ze uitgebreid te bewonderen, het hele spul is op de slootkant neergestreken om de veren te poetsen. Komt er van het andere eind van de sloot luid piepend en hevig peddelend nog een pulletje aangezwommen. Dat was duidelijk de avonturier van de familie…. ver vooruit gezwommen onder moeders vleugels vandaan. Gelukkig is dat avontuur goed afgelopen, er nestelen hier ook ooievaars die best een sappig jong eendenkuiken lusten.

We maken het rondje niet al te lang, na ongeveer 11 kilometer zijn we weer terug op de parkeerplaats. Een mooi gebied waar we rustig nog een keer naar terug kunnen keren of onze camper in de buurt kunnen zetten voor een weekendje kamperen.

Pasen in de Achterhoek, 3

4 april en 5 april 2021

Op deze camping word je ’s ochtends gewekt door kraaiende hanen, kukelende fazanten, koerende duiven en het tie-tuu-tie-tuu van koolmezen met territoriumdrift. Och, het kan erger… het past wel bij de landelijke omgeving. We ontbijten en dan is het de bedoeling om de Achtkastelen route te gaan fietsen. M. en B. hebben fietsen gehuurd bij de camping, wij hebben onze eigen exemplaren mee. Voordat we vertrekken kijk ik nog even bij het notenkastje om te kijken of er toevallig een eekhoorn zit. Maar nee, helaas niet. In het bosje achter één van de trekkershutten is boven in een dennenboom een enorm geschetter van eksters. Ik zie er wel een stuk of drie al ruziënd heen en weer vliegen. Als ik wat beter kijk zie ik de reden. Er zit een eekhoorn boven in de boom, waarschijnlijk zit er een nest van de eksters. Ze moeten in ieder geval niets van hem hebben, hij wordt met snavels aan alle kanten gepikt en hij roetsjt naar beneden. De ene restrover die de andere restrover achterna zit.

Even later zie ik zelfs dat er twee eekhoorns in de boom zitten. Als ware acrobaten springen ze tussen de bomen, van tak naar tak, van boven naar beneden en andersom. Ze zijn supersnel en ze zitten bijna niet stil. Het is bijna onmogelijk om een goede foto te maken. Een mooi gezicht is het wel, die rode rakkers met hun pluimstaart die soepel langs de boomstammen omhoog klimmen en vliegensvlug zich tussen de boomtakken verplaatsen. Ook al zijn de bomen nog kaal toch kost het moeite om ze te volgen. Hopelijk zien we ze vanmiddag weer en kan ik dan een goede foto maken, dat is nu niet echt gelukt.

We fietsen eerst richting Vorden waar we bij Kasteel Vorden de Achtkastelenroute zullen oppikken. Deze fietsroute bestaat al sinds 1913 en is daarmee de oudste fietsroute van Nederland. Dat is een stevig stuk historie. Het schijnt dat de burgermeester van Vorden in het begin van de twintigste eeuw bezoekers op de fiets meenam en hen zo kennis liet maken met al het schoons dat zijn dorp te bieden had. Ook nu na meer dan 100 jaar valt al dat moois te bekijken al zijn lang niet alle kastelen van dichtbij te bekijken. Een aantal gaan schuil achter een groot hek en een lange oprijlaan. Degene die niet meer in privé bezit zijn en onder gebracht in een stichting zoals Natuurmonumenten zijn wel van dichtbij te aanschouwen.

Kasteel Vorden is eigenlijk nummer acht van de kastelen en J. en ik hebben dat vrijdag al bekeken. M. en B. moeten het natuurlijk ook wel zien dus we bekijken opnieuw dit fraaie optrekje. De burg over de slotgracht is duidelijk aan vervanging toe, we denken niet dat je hier met een grote partij mensen tegelijk over heen moet gaan. Het kasteel is privébezit maar wel te bezichtigen in niet coronatijd. Dat moeten we dan dus maar tegoed houden voor een volgende keer.

Nummer één van de kastelen is Kasteel Hackfort. Het is er druk met wandelaars en er zijn gezinnen met kleine kinderen die dit blijkbaar een goede plek vinden om paaseieren te verstoppen en daarna te laten zoeken door de kinderen. Het kasteel en het terrein er om heen is tegenwoordig van Natuurmonumenten. In het bos erom heen staat verschillende voorjaarsplanten te bloeien. Boshyacinten, bosanemonen, speenkruid, lelietjes van dalen, lenteklokjes, sleutelbloemen. Echte stinzenplanten. We wandelen half om de slotgracht heen om ook de achterkant van het kasteel te bekijken. We moeten wel door, dit is nog maar kasteel één. Het zou anders een prachtige plek zijn om even koffie te genieten met iets lekkers bij de keuken van Hackfort. Ook een volgende keer maar 😉

Kasteel Den Bramel is de volgende langs de route. Dit kasteel is privébezit, alleen het landgoed is open voor publiek. Het huis ligt best een stukje van de weg af dus je kunt er alleen door de spijlen van het hek een foto van maken. Gluren van een afstandje. Ook het kasteel De Wildenborch is een privébezit, het is van de familie Staring, familie van de dichter. Blijkbaar hebben ze veel mensen die zich van het begrip ‘prive’ niets aantrekken. Er staat een groot bord: ga terug, dit is privébezit. Voor een mooi plaatje van het huis met zijn karakteristieke ronde toren is het niet de bedoeling dat je een klein stukje de oprijlaan oploopt. Graag achter het hek blijven staan. Het kasteel is omgeven door een prachtig park met oude bomen wat ook een aantrekkingskracht op spechten heeft. Je hoort ze af en toe timmeren en hun lachende roep klinkt tussen de bomen.

Van De Wildenborch rijden we naar de volgende parel: De Wiersse. Het is een rijksmonument en het schijnt één van de prachtigste kasteeltuinen te hebben. Die zijn helaas alleen op bepaalde dagen toegankelijk, niet nu. Het hek is nu hermetisch gesloten: privébezit. Via het buurtschap Medler komen we uit bij ’t Medler. Omdat we dat gisteren ook al hebben gezien besluiten we niet de hele oprijlaan af te fietsen. Als echte toeristen besluiten we ‘been there, done that’ omdat je ook hier niet verder kunt dan om de slotgracht heen te lopen of te fietsen. Dus keren we om en voert onze tocht ons naar kasteel nummer zes op de route (nummer zeven voor ons eigenlijk) Onstein. Ook hier een enorm hek in de poort en het kasteel ligt echt een heel eind verderop. Privébezit. De naam Onstein klinkt overigens alsof het in een Harry Potterboek zou kunnen figureren. De bewaker bij de poort heeft niet echt het uiterlijk van Hagrid, ik geloof niet dat er allerlei fantasiebeesten in zijn kleine wachtershuisje verstopt zitten.

Na Onstein wacht ons nog één kasteel voordat we weer richting Vorden fietsen. Huis Kiefskamp is weer zo’n fraai landhuis. Dit is blijkbaar het enige kasteel in Vorden dat niet uit de middeleeuwen stamt. Het is een plaatje. Je kunt om het kasteel heen lopen, door het bos en de velden die erbij horen. Het huis zelf is nu niet te bezichtigen. Het is van het Geldersch Landschap die het blijkbaar verhuren. Het is een soort retraite-oord geworden. Geen verkeerde plek om tot je zelf te komen.

Zo al fietsend door het Achterhoekse landschap langs al die kastelen roept het bij mij de vraag op hoeveel van die oorspronkelijke bewoners, stichters van de kastelen het beroep ‘roofridder’ hebben gehad. Was dit een gebied dat van strategisch belang was? De heren van Gelre strekten die zich uit tot de Achterhoek? Dit is vroeger vast een bosrijk gebied geweest met waarschijnlijk kleine boerderijen die het land pachtten van de adel die op het kasteel woonden. Je fantasie over al die levens op de kastelen en vooral ook van de boeren en arbeiders er om heen gaat wel met je op de loop. Toen kon de adel er goed van bestaan. Tegenwoordig is zo’n landgoed met kasteel een duur bezit om te onderhouden. Je kunt denk ik als landheer niet meer rondkomen van de opbrengsten van het land, je zult ook andere inkomsten moeten hebben om je zoveel rijkdom aan historie te kunnen veroorloven. Dan zijn al die langs fietsende, wandelende en met de auto toerende toeristen je waarschijnlijk niet zo welkom maar wel een mogelijke bron van inkomsten.

We maken de ronde af naar Kasteel Vorden en fietsen dan nog even het dorp in voor boodschappen voor het avondeten. Lief heeft pech, het wordt pasta met een saus van broccoli, kruidenkaas en gerookte zalm en een salade van witlof, radijs, mango en appel. Op de camping eerst een biertje of wijntje. Dat hebben we wel verdiend. En dan het eten bereiden, een kop thee en dan lonkt ons kampeerbed alweer.

’s Ochtend worden we wakker van het getik van hagel op ons camperdak. Het was voorspeld dat het tweede Paasdag minder weer zou worden. Nou dat is zeker het geval. Tussen de buien door breken we de partytent af en pakken we de laatste spullen in. Het scheelt enorm in tijd, het verschil tussen opbreken met een tent of met een camper. Rond elf uur zeggen we M. en B. gedag, het was reuze gezellig en rijden wij met hevige hagelbuien onderweg terug naar huis. Ons eerste camperkampeerweekend zit er op.

Pasen in de Achterhoek, 2

3 april 2021

M. en B. komen rond een uur of elf. Een beetje uitslapen en dan douchen. De camping heeft een systeem met een pasje waarop je een warmwater-tegoed kunt zetten. Omdat wij lid zijn van NKC hebben we blijkbaar naast korting in het voorseizoen van €2,- per nacht ook nog €1,- per dag aan warmwatertegoed. We zijn van plan om bij te houden wat de diverse lidmaatschappen ons ‘opleveren’ aan voordeeltjes zodat we aan het eind kunnen inschatten welk lidmaatschap we willen aanhouden en welke we kunnen opzeggen. Fijn dat de camping ons dat extraatje van het douchetegoed meldt, dat wisten we namelijk niet. We hebben ons ontbijt op en de koffie is bijna klaar als M. en B. de camping op komen rijden.

Eerst koffie en dan een plan de campagne maken over wat we vandaag en morgen zullen gaan doen. We besluiten dat we vandaag de Cuypersroute gaan lopen, die loopt langs de camping en is 14 kilometer lang. Kijken of lief dat gaat volhouden. Hij heeft nog steeds last van zijn klapvoet waardoor langere afstanden lopen een probleem is. Zo rond de 10 kilometer gaat wel, veel verder is moeizaam. Het is te hopen dat de voorspellingen van de orthopeed wel uitkomt, dat het met een maand of zes wel over moet zijn. Daarvan zijn er nu twee voorbij.

We hebben gezellig bij zitten kletsen met M. en B. en de tijd vliegt voorbij. Het is bijna één uur en dan gaat de receptie weer open. We besluiten daar toch nog even op te wachten zodat M. en B. de sleutel van hun ‘ton’ kunnen halen. Dan hoeven we ons vanmiddag niet te haasten. Met de sleutel op zak kunnen we dan gerust de tijd nemen voor onze wandeling.

Het is een prachtige route door de Achterhoekse landerijen. Je loopt over landgoederen en door het coulissenlandschap. Ook hier heeft de ruilverkaveling wel toegeslagen, af en toe grote kavels van een groen raaigraswoestijn. Ik snap dat het voor boeren makkelijker is en dat het raaigras heel voedzaam is voor het vee. Ik hou toch meer van de rommelige singels of houtwallen met slee- of meidoorns, her en der een grote eik of linde in het weiland. Veel is ook hier verdwenen al zijn er ook stukken waar er nog wel resten zijn van deze oude landschapscultuur.

Het voorjaar is ook hier aangebroken en de boeren zijn druk op het land. Gisteravond werd het land naast de camping omgeploegd. Hier lopen we langs een weiland met een enorme slang er op en een grote trekker erbij met een injectieapparaat achterop. M. en ik lopen door maar lief en B blijven staan kijken. Zo kunnen ze ons daarna vertellen wat er allemaal bij komt kijken voordat de boer de gier in de grond kan injecteren. De techniek gaat steeds verder, alles om het land vruchtbaar te maken en om zo min mogelijk stikstof uit te stoten. Er zijn wel drie trekkers nodig, één om de gier uit de tank te pompen, één om de gier verder te pompen en één om daadwerkelijk de gier in de grond te injecteren.

Langs de route komen we langs verschillende fraaie boerderijen en anderszins leuke optrekjes. Het landgoed ’t Medler springt er uit maar misschien is dat omdat de zon net even doorbreekt. Een fraai kasteel of landhuis dat al drie eeuwen in handen van dezelfde familie is. Langs de oprijlaan staan prachtige bosanemonen te bloeien en ik zie zelfs in de sloot al dotterbloemen in bloei. Het is echt voorjaar! In Kranenburg staat de sleedoorn te bloeien met zijn tere witte bloesem. Je zou bijna vergeten dat er zulke gemene doorns aan de struik zitten ;-). In de oude bomen langs de weg naar Kranenburg worden we toegezongen door twee boomklevers die blijkbaar op zoek zijn naar een goed plekje om te nestelen. Ze schieten boven in de boom verschillende keer een holte in, bekijken hem en keuren hem kennelijk toch af. Ze vliegen weg. Maar misschien wilden ze ons er niet bij als pottenkijkers, dat kan ook 😉

In een tuin aan de provinciale weg door Kranenburg zijn mannen bezig een grote boom te snoeien. Langs de stoep staat een beukenhaag waar aan verschillende struikjes knijpers hangen. “Goh”, zegt lief, “nu weet ik eindelijk waar de knijpers vandaan komen, ze groeien hier aan de struik.” De man die erbij staat lacht een beetje en zegt: “Jij dacht zeker dat ze in de gevangenis gemaakt werden? We hebben ze hier gewoon aan de struiken hangen.” Het blijkt dat door de droogte van vorig jaar de ‘beknijperde’ struikjes het loodje hebben gelegd en dat ze vervangen zullen moeten worden. Het is ons onderweg ook al een paar keer opgevallen dat als er een auto over een zandpad langs kwam rijden er behoorlijk wat stof opwaait. Dat is rijkelijk vroeg in het jaar. De Achterhoek heeft zijn watertekort van de afgelopen jaren nog niet aangevuld gezien met voldoende regenval.

Na Kranenburg, dat pas ontstaan is nadat Cuypers hier een kerk en een klooster heeft gebouwd, lopen we in een bocht richting de camping. Omdat wij de routebeschrijving niet hebben gekocht lees ik pas achteraf dat er langs de route meerdere gebouwen van de hand van Cuypers staan. Nou ,ja dat is niet erg. We hebben toch genoten van de wandeling al is het fijn dat de camping in zicht komt. Lief heeft het wel gehad, hij zakt bijna door zijn hoeven zoals hij zelf zou zeggen. Tijd voor een biertje en wijntje op de camping.

De zon is inmiddels een stukje achter de bomen gezakt, het is tenslotte nog maar net begin april. Er is geen zonnige plek vlak voor onze camper maar bij één van de trekkershutten achter ons staat de zon nog wel op een picknicktafel. Aangezien de trekkershut vrij lijkt te zijn bezetten we de picknicktafel zodat we nog even kunnen genieten van de laatste zon. De campingbeheerder loopt vlak langs ons met een flinke zak walnoten en stopt die in een kastje. Die blijken voor de ‘huiseekhoorns’ te zijn. Die vissen ze zo uit het kastje nadat ze het deksel hebben opgetild. Wij hebben de roodgepluimde rakkers nog niet gezien, benieuwd of dat nog gaat gebeuren.

We breken op als de zon achter te bomen wegzakt. Tijd om eten te koken. Shakshuka campingstyle met rijst en salade. Na de afwas, een kop thee als afzakker met een glaasje port taaien we om half tien zo’n beetje af. Wat kun je toch moe zijn van een dag buitenlucht… heerlijk!

Pasen in de Achterhoek, 1

2 april 2021

Dit paasweekend gaan we onze camper echt uit proberen. We hebben er een paar weken geleden al in geslapen toen we bij een zus van J. op bezoek waren. Toen aten we binnen bij onze familie. Nu gaan we voor het ‘echie’: slapen, koken, eten, verblijven in de camper. Onze vrienden B. en M. komen op zaterdag ook, zij slapen in een trekkershut in de vorm van een groot vat of ton. Wij gaan vrijdagmiddag al richting Vorden. We hebben geboekt bij camping ’t Meulenbrugge. De weersverwachting is matig, het zal koud zijn en tweede paasdag wordt hagel en natte sneeuw voorspeld. We hebben een partytent te leen van J. en J. om voor de bus te zetten. Tot uur of zes kunnen we op vrijdag dan nog buiten zitten omdat we net wat meer in de luwte zitten.

We hebben bij aankomst gemeld dat onze vrienden morgen komen en in één van de ‘vaten’ zitten. “O”, zegt de campingvrouwe, “dan zet ik jullie aan de overkant van de beek, dat is dichterbij het vat. Er is net een plek vrij gekomen daar.” Dat is servicegericht. We vinden het eerlijk gezegd ook een betere plek aan de overkant van de beek. De bulk van de camping zit voorbij de brug en wat verder van de weg af, meer richting het dorp Kranenburg. Dat zijn grote grasvelden waarop gemiddeld 5 tot 8 campers of caravans kunnen staan. De velden zijn omzoomd met heggen en op zich best ruim van opzet. Maar het is allemaal wat ‘aangeharkter’ en je zit iets meer bij elkaar op de lip. Tussen de weg en de beek vinden wij de betere plek. Uitzicht op de beek, het bos achter je voordat je de weg hebt. Een landbouwweg, geen druk verkeer. Dus prima plek want ook aan deze kant van de beek is een toiletgebouw met douches en afwasgelegenheid.

De camping is ruim voorzien van vogels. De eigenaar houdt zelf fazanten, goudfazanten, kippen (voor lekker verse eitjes) en duiven. Hij heeft twee fazantenvrouwtjes en 2 fazantenhanen. Eén van de hanen is ontsnapt en loopt steeds langs de ren zijn gevangen collegahaan uit te dagen. Het is een koddig gezicht. Af en toe staan ze snavel aan snavel met het gaas ertussen, alsof ze naar hun spiegelbeeld kijken een spelletje ‘wie het eerst met z’n ogen knippert is af’ te doen. Gelijk daarna keren ze hun kop af alsof de ander niet bestaat. Dan rent er één weg, keert even later terug, waarna het spelletje weer opnieuw begint. Je kunt je afvragen wie het nou het beroerdst af is, de gevangen haan of degene die ‘vrij’ losloopt. Ik heb namelijk de indruk dat de ‘vrije’ haan wanhopig probeert om weer in de ren te komen.

In de vrije natuur rondom de camping is het ook een komen en gaan van vogels. Die eerste middag spot ik staartmeesjes, talloze vinken, pimpelmezen, koolmezen en een boomkruiper. We fietsen naar Vorden om alvast wat van de omgeving te zien. Kasteel Vorden ligt fraai aan de rechterzijde van de weg voordat je het dorp in rijdt. Het is niet druk in het dorp, je kunt zien dat er weinig vakantiegangers met dit paasweekend op pad zijn. Buitenlandse toeristen zijn er al helemaal niet. We maken een potje eten, witlofstamppot met gerookte zalm, zetten thee en kruipen op tijd ons mandje in.

Ommetje Spaarndam

22 maart 2021

Het is leuk om af en toe dichtbij huis een stuk onbekend terrein te verkennen. In het maartnummer van Roots staat een kort ommetje van 6 km bij Spaarndam. Omdat ik niet heel veel tijd heb vandaag voor een uitgebreide wandeling past dit mooi. Het is een zonnige frisse namiddag als lief en ik de auto parkeren bij Villa Westeind tussen Haarlem en Velserbroek.

De wandeling loopt langs een stuk van de stelling van Amsterdam, onderweg passeer je een flink aantal oude forten. De route voert je een stuk langs het IJ, waar de afwisseling van woonboten en woonwagens een wat wonderlijke combinaties maken. De meeste woonboten zijn villa’s op het water, designhuizen. De woonwagens hebben allemaal hun eigen ontwerp en in de tuinen is sprake van een heel ander soort design. Op deze zonnige voorjaarsdag zien we bewoners van beide type woonhuis buiten zitten, ieder op zijn of haar stekje ziet er zeer tevreden uit.

We lopen langs het Landje van Gruijters. Het is een veldje met een grote plas en slikland. Een open buffet voor steltlopers en eendachtige. Het is niet moeilijk om aan het geluid al te herkennen dat hier een armada van grutto’s is aangekomen uit het zuiden. Er zit een hele groep met de kop op de rug, uit te rusten. Ze moeten wel heel ‘zen’ zijn, het lijkt mij een moeilijk vol te houden houding op één pootje. Maar ja ik ben dan ook geen grutto. Iets verderop zoeken naast grutto’s, kluten, bergeenden, tureluurs naar voedsel in dit voedselrijke landje.

De weg langs het Landje van Gruijters is een smal weggetje dat voert langs fort Benoorden naar Spaarndam. Het is druk bereden met auto’s. Wellicht is het sluipverkeer naar Spaarndam maar even verderop staan ook veel vogelaars die hun auto geparkeerd hebben.

We laten de vogels en de vogelaars achter ons en lopen richting Spaarndam. Het is een lieflijk klein dorpje. Ik was hier niet eerder, terwijl ik het vaak genoeg vanaf de A9 heb zien liggen. Het is een aangename verrassing. Voordat we het dorpje in lopen ligt Fort Zuid nog langs ons pad. Bij de brug bloeit het klein hoefblad, net zo’n voorjaarsheraut als speenkruid, sneeuwklokjes en krokussen.

Als we Spaarndam weer uitlopen komen we langs een grote waterplas. Er zwemmen een paar dodaars en hun grote broers de futen zijn bezig met het voorspel van de balts. Er zwemmen zeker vier futen in duikbootstand, alle lichaamsdelen ingetrokken, nek naar achteren en de snavel op de borst. Alleen hun poten peddelen als een gek onderwater, zo cruisen als compacte veren bollen over het water. Heel bijzonder dat ze allemaal precies dezelfde houding aangenomen hebben terwijl er wel een meter of twintig tussen de verschillende vogels zit. Een tureluur zit op de kant van het water met z’n rug naar de futen toe. Het gedrag van de futen kan hem duidelijk niet boeien.

Door polder lopen we dan terug naar Villa Westeind. Net voor de parkeerplaats staat een grote zilverreiger in een plas te vissen, dat is een mooi afscheidscadeautje voor deze wandeling.

Ommetje Egmondermeer

20 maart 2021

Het is wat druilerig weer, niet nat maar er hangt vocht in de lucht. Een beetje waterkoud. Vanochtend was het stralend mooi weer maar de boodschappen moesten gedaan en meer van die dingen die je dan van een wandeltocht af kunnen houden….Omdat ik toch nog graag naar buiten wil besluit ik de ‘groene pijltjes route’ te lopen door de Egmondermeer. Deze keer loop ik hem andersom, eerst richting Heiloo en via het Maalwater door de polder terug richting Alkmaar.

De wandeling loopt eerst door het de Alkmaarderhout, hier loop ik vaak voor een ommetje dicht bij huis als ik niet veel tijd heb. Er roffelt een specht op één van de oude bomen. Zien doe ik hem niet. Een roodborstje zit luidkeels zijn territorium te verdedigen. Wonderbaarlijk hoeveel geluid er uit zo’n klein beestje kan komen. Even verderop zit een koolmees titutitu een imitatie van een fietspompje te geven. Het is duidelijk dat ze er allemaal zin in hebben ook al is het weer niet zo zonnig.

Verderop loopt het pad langs het Zanderslootpad. Ook al zo’n mooi en bekend stuk. In de berm staan kleine blauwe sterhyacinthen te bloeien naast speenkruid. Grappig dat het speenkruid hier zoveel later is, dat zag ik toch drie weken geleden al in volle bloei in de Eilandspolder. In de sloot zitten een paar meerkoeten elkaar achterna en een waterhoentje zoekt schichtig dekking voor zoveel koetengeweld. Gelukkig zie je de laatste tijd wel weer meer waterhoentjes. Er is een tijd geweest in mijn beleving dat je vooral meerkoeten zag en heel weinig waterhoentjes. Die zijn over het algemeen ook wat schuwer dan meerkoeten dus misschien lag het daar aan. Ik vind waterhoentjes leuk, al zijn jonge meerkoetjes ook wel erg leuk om te zien. Mooi van lelijkheid. En ze doen me altijd denken aan mijn moeder. Er zat bij mijn ouderlijk huis in de vijver tegenover het huis vaak al vroeg in het voorjaar een koet te broeden. Mijn moeder kon daar vol verwondering naar kijken en als het eerste broedsel dan omkwam omdat er nog een paar nachten vorst was dan schudde ze meewarig haar hoofd over ‘dat domme dier’. Ze kon ook heel tevreden zijn als vader en moeder koet wel een nest met jongen groot wist te brengen. Dan was er toch maar weer mooi een nieuwe generatie meerkoeten bij gekomen.

Je kunt in het Heilooerbos een doorsteek maken van de groene naar de rode route, dan loop je in plaats van verder door het bos door de weilanden richting het gemaal Maalwater. Maar ik besluit de route gewoon te volgen. De wind is iets opgestoken en er valt zowaar een lichte miezer. Dan blijf ik liever zo lang mogelijk in de relatieve beschutting van bos lopen in plaats van de open vlakte van de weilanden.

Voorbij het gemaal moet ik er dan toch aan geloven, het pad voert me richting de Egmondermeer waar ik dan via de grasdijken weer richting Alkmaar ga. In de waterplas bij het gemaal zwemt een grote zaagbek en een fuut. De laatste duikt onder maar de zaagbek zwemt liever uit zicht. Jammer, die had ik wel van wat dichterbij op de foto willen zetten. Ik vervolg mijn weg en kom bij het volgende gemaal waar ik linksaf de polder in moet slaan. Achter dat gemaal zit een flink aantal scholeksters stevig kabaal te maken. Hun ‘piewiet’ is onmiskenbaar.

Langs de grasdijk loopt aan de ene kant de ringvaart, aan de andere kant is oud bloembollenland dat opnieuw is ingezaaid met gras. Ganzen doen zich er verderop tegoed aan het rijke gras. Her en der in het veld zie je paarse en witte kopjes van krokussen die er hiervoor op hebben gestaan. Er is duidelijk niet overal even goed gerooid bij de bollenoogst.

Als ik een loopbrug ben over ben gegaan sla ik weer linksaf. Je komt dan langs de boerderij Huis Halfweg en vlak daarna langs de zorgboerderij Egmondermeer. Huis Halfweg, zo langs een grasdijk en geen verharde weg heeft een kleine gevelsteen met Maria met kind erop. De boerderij is van begin twintigste eeuw. Verwijst de naam dan naar een ouderen boerderij die vroeger halverwege de route Alkmaar en het klooster van Egmond stond… Waaraan zou deze hoeve nou precies haar naam te danken hebben op een route die geen doorgaande weg meer is? Ik krijg het raadsel op internet niet opgelost.

Even later is mijn oversteek over een ‘stile’ versperd. Er staat een ouder echtpaar te overleggen achter het hek en hun rugzak staat op de treeplank van de ‘stile’. Natuurlijk willen ze die wel even weghalen. Als ik passeer spreken ze me aan: “Weet u waar u vandaan komt?”. Hmm dat is best een existentiële vraag maar ik geloof niet dat ze het zo bedoelen 😉 . Ik antwoord bevestigend dat ik weet waar ik vandaan kom. Ze blijken van hun route afgedwaald en vragen me hoe ze het makkelijkst terug kunnen komen bij hun auto die op de parkeerplaats bij Nijenburg staat. Op het punt waar wij ons dan bevinden zijn ze linksom of rechtsom ongeveer even lang onderweg is mijn inschatting. Terug willen ze niet dus ik wijs ze de weg waar vandaan ik zojuist ben gekomen. “De groene pijlen volgen totdat u een plattegrond tegen komt en vandaar uit goed kijken hoe u op de Beliëslaan uitkomt”. Zo midden in de weilanden kan ik hen ook niet precies vertellen hoe ze moeten lopen. ‘T is wel bijzonder, ze lopen met printjes van kaartjes met daarop wandelknooppunten en hij heeft de route ook nog eens gedownload als gps-bestand op zijn telefoon. Dan is het toch best knap om zo ver van je geplande route te geraken. Na hen succes te hebben gewenst loop ik verder richting Alkmaar.

Ik ben bijna thuis als in de singel naast de Hoevervaart een troep koperwieken in de bladeren langs de route rommelt op zoek naar voedsel. Ik hou mijn pas in en sluip voorzichtig naderbij in de hoop een paar mooie foto’s te kunnen schieten. De meeste vogels vliegen al snel iets verderop maar één nietsvermoedende of brutale koperwiek trekt zich weinig van mij aan. Hij poert lekker verder in de bladeren, werpt er af en toe een paar omver in de hoop dat er iets lekkers onder verstopt zit. Als ik dan toch te dichtbij kom naar zijn zin vliegt hij op naar de dichts bij zijnde boom om daar op een tak mij licht verontwaardigd aan te kijken, verstoord omdat ik hem heb gestoord bij zijn zoektocht naar eten. Na nog een laatste foto loop ik door zodat de koperwiek weer verder kan gaan zoeken naar eten.

Ommetje Eilandspolder

28 februari 2021

Na een week Terschelling waarop ik elke dag een flink stuk ging wandelen is het afkicken. Lief gaat vandaag niet mee, hij moet zich inlezen in een klus voor morgen. Ik besluit een ommetje van ongeveer 9 kilometer uit te proberen voor als lief weer iets beter kan lopen. Het is een rondje dat het Noord-Hollands Landschap heeft beschreven dat een andere kant van de polder bestrijkt dan de wandeling die ik eerder deed vanuit Schermerhorn.

De wandeling start in Grootschermer bij de twee rechtshuizen uit de zeventiende eeuw. Dan loop ik de polder in. Eerst nog een stuk asfalt maar al snel sla je via een karrespoor de polder in. Het voorjaar hangt in de lucht, ik zie bloeiend speenkruid. Dat is voor mij naast bloeiende krokussen of sneeuwklokjes altijd het teken dat er een ander jaargetijde aan zit te komen. Die helgele bloemen in een slootkant met hun glimmend blad. Je wordt er vrolijk van.

Aan het eind van het karrespoor dat over gaat in een graspad kom je bij een dijk en sla je linksaf een grasdijk op. Die volg je een stuk waarna je een smal bruggetje over het water neemt en dan via een recht van overpad langs een woonhuis buiten het dorp Driehuizen in loopt. Daar kun je bij De Vriendschap iets nuttigen als je linksaf slaat. Ik zijg neer op het bankje net rechtsaf om een broodje en een kopje thee te drinken. Ik zit aan de ringvaart waar het water rustig voortkabbelt. Na de thee ga ik verder over de grasdijk, terug richting Grootschermer. Als je om je heen kijkt kun je je niet voorstellen dat de polder vroeger een eiland is geweest wat omringd werd door verschillende meren. Het doet echt meer aan als een polder en niet als een veeneiland wat het vroeger is geweest. Het ligt namelijk nogal laag en bij een eiland heb ik meer het gevoel dat het iets hoger in het landschap zou moeten liggen. Er stonden vroeger veel meer molens dan nu (er wordt nu mechanisch bemalen door het hoogheemraadschap) en was dat toch een stuk land waar je droge voeten kon houden als je de molens hun werk liet doen.

In de weilanden waar je op neer kijkt als je op de grasdijken loopt zitten massa’s ganzen, de meeste zijn grauwe ganzen voor zover ik dat kan zien. Ze zitten gezellig met elkaar te kletsen, dat geluid draag je de hele tocht met je mee. In de ringvaart tref ik meerdere keren paartjes futen die in het baltsseizoen zitten. Het karakteristieke krêk-krêk draagt ver over het water. Ze laten zich niet makkelijk fotograferen, ze duiken nogal eens onder en komen dan een stuk verder boven water, en zeker niet in de baltshouding waarin ze allebei uit het water komen en hun borsten tegen elkaar aan duwen. Ze zijn blijkbaar nog niet helemaal in de juiste stemming ;-). Nou ja, wie wil wel gefotografeerd worden terwijl je je verleidings- en veroveringstrucs uit de kast haalt om je liefste over te halen een nestje met je te gaan bouwen.

Dan is de Menningsmeer molen al in zicht en daarmee ook Grootschermer. De korte tocht zit er op. Een aanrader voor als je niet te lang wilt en houdt van een oud-hollands polderlandschap houdt.

Terschelling 7, Koegelwiekduin

De zon schijnt warempel vanochtend volop. Niet de suggestie van een zonnetje achter sluierbewolking, nee het is zo’n lekker voorjaarszonnetje in een strakblauwe lucht. Fijn voor onze laatste volle dag op het eiland, morgenmiddag verlaten we Terschelling.

We lopen vandaag vanuit ons huisje naar het hoogste duin, het Koegelwiekduin. Dat zit zo’n beetje recht achter ons huisje aan de Noordzeekust. Door een pad door de duinen te nemen zouden we er zo naar toe moeten kunnen lopen hebben we op de kaart gezien.

We steken bij de schuur van Staatsbosbeheer langs de wei met geiten het duingebied in. Het begint al gelijk goed met wat plassen langs en op het pad maar daar is met een ruime bocht prima omheen te lopen. We lopen rustig door over het smalle pad. Af en toe horen we wat kleine vogels in het struikgewas maar zien doen we ze niet. Wel vliegen er regelmatig formaties grauwe ganzen over. Soms een kleine v-formatie van een stuk of 8 of 10, soms een paartje. In de lage bomen zit met enige regelmaat een kraai of een ekster de omgeving af te speuren. We zien ze veel hier. Wellicht heeft dat te maken met de ruime aanwezigheid van veel kreupelhout, houtwallen en andere bosschages. Dat lijken uitgelezen plekken voor de kraaiachtigen.

Het is aangenaam lopen met de zon warm op onze rug. Deze hadden we wel verdiend vinden we na een week berichten over warmterecords in de rest van Nederland terwijl het kwik hier op Terschelling de 10 graden niet eens aantikte. Dit maakt een hoop goed, niet dat we het slecht hebben gehad… maar met een zonnetje erbij voelt het alsof ook hier het voorjaar aanstaande is.

En dan is het weer zover…. het pad voor ons is veranderd in een sloot. En om de sloot heen een ruim gebied van plas en dras. We zullen dus weer een ruime bocht moeten nemen om te kijken of we het pad verderop kunnen oppakken. Het is niet fijn lopen al zoekend tussen de heidestruikjes door. Half zelf een weg banend, half zoekend of iemand anders ons al voor is geweest in een zoektocht naar een droge doorsteek. Meestal zijn die paadjes veranderd in kleine geultjes waarin het water blijft staan. Het is zo nat dat lief zelfs een bruine kikker vindt. Nog maar net uit zijn winterslaap is het dier nog niet echt opgewarmd en laat hij zich door Joep oppakken. Nadat we de mooie tekening hebben bewonderd en ons afvragen of het soms een vrouwtje is dat nog vol zit met eitjes zetten we goudoogje weer terug in het drassige terrein.

Bruine kikker

Voor lief is dit geploeter echt niet te doen, hij heeft moeite om zijn evenwicht te bewaren met zijn klapvoet. Na zo’n kwartier geploeterd te hebben komen we tot de conclusie dat we op deze manier het duin dat we voor ogen hebben niet gaan bereiken. Inmiddels heb ik naar mijn idee een redelijk oog gekregen voor welke vegetatie er in de buurt staat van wat drogere delen en welke vegetatie natte voeten voorspelt. We draaien om en gaan proberen het oorspronkelijke pad terug te vinden waar we uitkwamen. Dat kruiste een breed pad wat we dan maar gaan volgen de andere kant op. Want in de richting die we wilden was dat ook een ‘Rode Zee’.

Sneller dan gedacht vinden we het brede pad en lopen we richting de duinen bij de zee. En daar is dan toch ineens het Koegelwiekduin waar we tegenop klauteren. Bovenop hebben we een prachtig uitzicht over het eiland. Je kijkt over het Hoornse bos heen naar het wad en achter ons de Noordzee. Het is best koud zo vol in de wind dus we zakken iets af om in een kommetje onze lunch te genieten. Zo met de zon vol,in ons gezicht hebben we niet meer nodig dan een broodje, een kopje thee en elkaar… en nou ja zonnebrand dan 😉

Na een tijdje lekker te hebben zitten genieten dalen we weer af richting Lies. Vlak voor ons steekt een blauwe kiekendief de weg over en landt op een struikje. Voordat ik de camera kan pakken vliegt hij al weer op en wiekt over een volgend heuveltje uit het zicht. Al drie keer deze vakantie een blauwe kiekendief gezien, dat vinden wij wel een traktatie!

Vlakbij ons huisje neem ik nog een extra lus door het bos en lief loopt schuin terug naar ons huisje. Wat een heerlijke dag zo op dit eiland.

Terschelling 6, een dag met hindernissen

We beginnen de dag rustig. Kalm aan opstaan, we hebben geen grootste plannen voor vandaag. We willen via Hoorn naar de waddendijk, dan naar de Wierschuur fietsen en daar een stukje wandelen op de Boschplaat.

Na het boodschappen doen voor het avondeten pakken we de fiets. Eerst naar Hoorn om daar het kerkje te bekijken. We kunnen er helaas niet in maar het kerkhof er om heen is ook de moeite waard. De buitenkant van kerkje is prachtig in al zijn eenvoud van rode baksteen. Zoals op veel kerkhoven is het hier rustig. Het valt me op dat op een flink aantal grafstenen referenties aan de zee of het eiland worden gemaakt. Meerpalen als grafsteen, een meeuw of een zeilboot op de grafsteen, een verwijzing in de tekst op de steen naar de getijden. Het is niet verwonderlijk voor een eiland waar vroeger een groot gedeelte van de bevolking leefde van de zee al waren dat meer de West-Terschellingers en niet de ‘oostenders’. Op het kerkhof een grafsteen ter nagedachtenis van de vele drenkelingen die hun leven lieten op de Noordzee waaronder de bijna 300 landverhuizers in 1863 aan boord van de Wilhemsburg. Een treurige gebeurtenis.

Het voorjaar kondigt zich aan door de bloeiende krokussen en sneeuwklokjes. In de hegjes rondom tjilpen mussen naar hartelust. En boven ons hoofd boven het Hoornse bos draaien maar liefst vijf buizerds al mauwend om elkaar heen.

We fietsen richting de waddendijk. Als we deze zijn overgestoken zien we twee zilvermeeuwen parmantig zitten op een steen die boven het water uitsteekt. In het water om hen heen cirkelt een scholekster heen en weer, het is net of hij ook een plekje met droge voeten wil maar de meeuwen geven geen krimp.

We willen verder fietsen als lief meldt dat hij een lekke band heeft. Zo ineens. We zijn niet zo ver van Hoorn af dus steken we de dijk weer over. Ik zeg dat we in Hoorn vast een fietsenmaker kunnen vinden, of anders in Lies. Maar lief bedenkt dat we plakspullen bij ons hebben. En dus gaat zijn fiets op de kop en gaat hij op zoek naar het lek. Zoals een echte padvinder betaamt 😉 heeft hij de zaken goed voor elkaar. In het tasje onder het zadel zitten de benodigde spullen. Alleen het tubetje lijm in zijn bandenplaksetje blijkt leeg te zijn. Gelukkig heeft hij ook een compleet setje in mijn zadeltas gedaan en daarin zit een nieuwe tube. Terwijl lief het lek zoekt sta ik een beetje om me heen te kijken over de kale polder. De wind is koud maar dat deert de kieviten in de wei niet. Ze duikelen in de lucht over klaar heen, wieken in schijnbewegingen omhoog en omlaag. Voorjaar! De rotganzen verderop zijn alleen maar bezig met eten. En af en toe kiezen ze met z’n allen tegelijk het luchtruim, alsof er een zwerm sprinkhanen opstijgt zo verduisteren ze dan ineens de lucht om een paar weilanden verderop weer neer te strijken.

Met de band geplakt hervatten we onze fietstocht. Bij de wierschuur zetten we onze fietsen neer.Terschelling kent een netwerk van wandelknooppunten waardoor je redelijk makkelijk zelf ook wandelingen kunt uitzetten ook al ken je het gebied niet. Ik heb gezien dat we op de zuidkant van de Boschplaat tegen het wad aan een wandeling kunnen maken met een lange en een korte lus. We kunnen eerst een stukje gezamenlijk op lopen en dan kan ik de lange lus doen en lief de korte.

Na een lunch bij de splitsing loop ik door de lange route. Het pad buigt naar links af voorbij het Jollemabosje en dan beland ik in een ‘Noordervaarders’ revisited. Het pad staat onder water. Eerst kan ik met wat ruime omwegen het pad min of meer volgen maar al gauw heb ik het idee dat het pad een soort binnenmeer is geworden. Een ruime bocht om het pad te blijven volgen is geen optie. Ik kies ervoor wat hogere grond op te zoeken in de hoop dat ik vanaf daar kan zien waar het pad droger wordt. Het is ploeteren over de hei maar het pad is niet meer te zien. Te veel laag struikgewas. Ik hou een beetje een noordwestelijke richting aan in de hoop dat ik dan het pad weer op kan pikken.

Na ongeveer 10 minuten ploeteren zie ik links voor het Jollemabosje weer en ineens is er ook weer een paadje. Omdat mijn oorspronkelijke route iets noordelijker zou moeten liggen loop ik eerst het paadje die kant op. Maar als ook dit paadje weer een watergeul wordt heb ik er genoeg van en keer om. Ik loop dat paadje af tot aan de plek waar lief en ik hebben geluncht en loop vandaar af lief achterna. Die komt mij tegen het eind tegemoet gefietst omdat hij het koud kreeg tijdens het wachten. Samen lopen/fietsen we terug naar de wierschuur en vandaar terug naar ons huisje. Onderweg zien we nog een bosuil die vlak voor ons over het fietspad door de bomen zweeft en verderop tegen een houtwal op een paaltje landt. Helaas blijft hij niet zitten voor een foto, als ik me omdraai vliegt hij opnieuw op en verdwijnt uit zicht. Helaas. Na zo’n dag met hindernissen van overkomelijke aard, dat wel ;-), hebben we wel een biertje verdienden ons huisje.